Het is alweer drie jaar geleden, dat het Fries Scheepvaart museum van de heer U. Barends te Leeuwarden een prachtig, op doek geschilderd, portret in bruikleen kreeg, vervaardigd door de Middelburgse kunstschilder Thomas Gaal (1739 - 1817) en voorstellende Uilke Barends, naamgenoot een voorvader van de bruikleengever. Uilke Barends werd in 1757 in 't Meer bij Heerenveen geboren en overleed in 1810 te Leeuwarden, na een prachtige staat van dienst bij de Oost-Indische compagnie en het Nederlandse Zeewaezen te hebben opgebouwd. De levensloop van Uilke Barends wees ons er nog eens op dat het heus niet alleen de kustplaatsen of de dorpen en steden uit de Friese Zuid-Westhoek waren die het gros der Friese zeevarenden leverden- en dat waren er in vroeger eeuwen heel wat meer dan tegenwoordig.
------------------------------------------------------------
De Friese veenkolonien immers werden door een mensengeslacht bevolkt, dat vaak avontuurlijk was aangelegd, nieuwe ondernemingen niet schuwde en niet licht in vastgeroeste gewoonten verstarde. Liepen bepaalde ontginningen ten einde en beloofden andere beroepen betere inkomsten, zo zag men er niet al te zeer tegen op huis en haard vaarwel te zeggen en het geluk elders te beproeven. In de Groninger veenkolonien was het trouwens al niet anders, waar men zich met zoveel succes op de scheepvaart, scheepsbouw en industrie wierp.
Ook Gerrit Dolstra, in 1792 te Langezwaag geboren, behoorde tot zulk een geslacht. Zijn vader, die zich eerst Oene Geerts had genoemd en in 1807 de familienaam Dolstra had aangemeten - wegens het "dollen" of spitten, waarmede hij als zeeman op het droge de tijd had moeten korten - had het, evenals Uilke Barends, al voor de franse bezetting tot groot-schipper weten te brengen. Diens schoonvader, Foppe Sents, de grootvader dus van Gerrit Dolstra, was vervener geweest, en noemde zich in 1811 daarom Klijnsma, vanwege de " klyn ", of natte bagger, die tot turf werd verwerkt. Vader Dolstra, die in 1801 weer kon uitvaren - gehuwd met de rijke vervenersdochter -, nam zijn zoontje Gerrit - nog maar negen jaar oud -, helemaal mee naar Java. De reis verliep spoedig, zodat Gerrit ook maar de tweede reis mee zou gaan. Maar dat "bitearde" minder goed. Gerrit beschrijft zijn belevenissen, die wij afgedrukt vonden in het tijdschrift Het Nederlands Zeewezen, Jaargang 1904, p..280 ss., als volgt:
" Op mijn negenjarige leeftijd reeds nam mijn vader mij mede naar Java, en op mijn tweede reis derwaarts nam ik deel aan de vaart op de Indische kusten, vanwaar wij, na onze lading ingenomen te hebben, naar het moederland terugkerende een storm beliepen, die ons niet alleen het - 2 - schip, maar hetgrootste deel van de bemanning ontnam, zodat alleen mijn vader en drie man zich konden redden, en ik met een gedeelte der mast in de woedende golven geslingerd werd, gescheiden van allen en geen levend wezen in mijne nabijheid bespeurende, dan voor korte tijd het scheepsvarken, dat ook weldra met een hooge golfslag uit mijne nabijheid wegdreef. Zooveel mogelijk mij met het touwwerk dat zich aan mijn wrak bevond vast bindende, bespeurde ik, na drie dagen en nachten in dien toestand te hebben doorgebracht, dat er menschen kwamen, die mijne banden lossneden, mij in een sloep neerlegden, en ik later opgeheschen werd aan boord van een schip".
Men denke het zich even in - een kind van tien elf jaar, geheel alleen temidden van woedende golven, dat nietemin onverschrokken genoeg is voor zijn leven te blijven vechten en zichzelf aan het brokstuk van de overboord geslagen mast vastbindt ! Een wonder dat het deze toestand op de onmetelijke oceaan werd opgemerkt en na drie dagen en nachten heen en weer geslingerd en gesmeten te zijn, zonder enig voedsel of drank te hebben genoten, nog leefde ! Gerrit was er intussen wel akelig aan toe maar na een vol etmaal door de scheepsarts te zijn behandeld kwam hij bij en vernam hij op een Engels schipte varen : "Na 24 uren van geneeskundige behandeling herstelde ik eenigzins, en kwam tot de ontdekking op een Engels schip te zijn. Naar Londen medegenomen kwam ik daar in een hospitaal. Na 11 dagen kreeg ik verlof dagelijks ter aanwinnimng mijner krachten wandelingen te maken". TWEEDE WONDER Maar nu geschiedde er een tweede wonder - zeelieden hebben dus wel aanleiding, meer in " wonderen" te geloven dan de vaak zo gezapig voortlevende aardbewoners. "Op een daarvan, ongeveer de 21ste dag van mijn verblijf, zag ik aan de overzijde der straat een man die in voorkomen veel op mijnen vader geleek. Ik overtuigde mij en zag tot mijne onuitsprekelijke blijdschap mijne veronderstelling bevestigd; wij omhelden elkander en ik zag mijn vader van verrassing en blijdschap in tranen uitbarsten, de eerste welke ik uit zijn zeemansogen mocht zien vloeien." Wat moet er in die twee mensen op dat ogenblik wel niet zijn omgegaan. De vader kon immers niet anders aannemen dan dat zijn kind verdronken was, en het kind dat zijn vader niet meer leefde. Gerrit vervolgt zijn verhaal weer; "Nadat mijn vader mijne zaken in het hospitaal had geregeld, keerd ik mede terug naar Nederland (de vrede van Amiens uit 1802 liet dit nog toe), naar mijne moeder en jongere broeders en zusters in mijn geboorteplaats Langezwaag. Ik was toen in mijn 12e jaar. Korten tijd daarna kwam mijn oom, die zich als eerste stuurman der walvisvaart had verhuurd, bij ons; na een kleine zinspeling om hem op zo'n reis te vergezellen, ontstak bij mijn vader de lust naar zee, en tot mijne groote blijdschap kreeg ik toestemming die reis naar Groenland mede te maken. Na eene voorspoedige reis op de vaderlandse kust teruggekeerd, was mijn vader opnieuw als koopvaardijkapitein geplaatst en mocht ik met hem ene lading huiden uit Amerika en daarna nog een lading rogge uit - 3 - Rusland halen. Toen Napoleons besluit de buitenlandse scheepvaart belemmerde, werd mijn vader genoodzaakt de zee vaarwel te zeggen, en kwijnende over zijnen werklozen toestand, stierf hij in 1809 te Langezwaag, de zijnen in zorgelijken toestand achterlatende"
FLINKE MENSEN
Wat een flinke mensen, die juist groeiden indien hun de grootste gevaren op zee bedreigden en omgekeerd de "moedfearren" lieten hangen indien zij wisten tegen meselijke factoren als het afsluitemn van de zee tengevolge van Napoleons dekreten niets kunnen aanvangen.
Maar Gerrit wilde tocht blijven varen, al was er voor hem geen plaats op de vloot van eerst. Wel lootte hij in voor de landmacht en vocht uit dien hoofde mee in de slag van Waterloo op 18 juni 1815. Hij liep niet minder dan vijf verwondingen op maar sterk als hij was bleef hij dienst doen en trok mee naar Parijs. In 1830 meldde hij zich weer als vrijwilliger, woonde de slag bij Leuven bij en bevond zich onder de verdedigers van de Antwerpse Citadel, het brandpunt van de Belgische opstand.
Zorgeloos werd zijn leven nimmer - tot tweemaal toe verloor hij een echtgenote door de dood, zodat alleen de derde echtgenote hem zou overleven. Armoede was volop zijn deel en hij was de tachtig al gepasseerd toen hij nog als visser in zijn onderhoud probeerde te voorzien. Gelukkig bleef zij gezondheid verbazingwekkend goed en behield hij zijn gezichtsvermogen. Ziek is hij eigenlijk nooit geweest, maar tenslotte kon het echt zo niet langer en ontfermde een groep dorpsgenoten- hij woonde in een huisje te Luxwolde- zich over hem. Men herstelde zijn huisje en bracht zijn portret in de handel om de opbrengst voor zijn onderhoud te kunnen aanwenden. In 1885 stierf hij tenslotte, als een alom bekend en gewaardeerd mens, arm maar niet vergeten.
De bijdrage in vermeld tijdschrift is met Dolstra's portret verlucht. Een fors gebouwde, typische Fries met wilskrachtige trekken, ringbaardje om de kin.
Hij lijkt uiterlijk ook wel iets op zijn streek- en vakgenoot Uilke Barends, die veel met hem gemeen had. Al was het ook zo dat Dolstra een langer leven met minder voorspoed gegund werd, dan Barends. Wie zou het beste af zijn geweest? Een vraag, waarop het leven - gelukkig maar - geen antwoord geeft.